FOTO VAN WELEER Marga Klompé, Nederlands eerste vrouwelijke minister en de 'moeder' van de bijstandswet.
12 oktober 1956 was een grote dag voor alle vrouwen in Nederland. Op die dag werd Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister van ons land en benoemd tot minister van Maatschappelijk Werk in het kabinet Willem Drees III. Drees kent iedereen ongetwijfeld als de ‘vader’ van de Algemene Ouderdoms Wet, die vlak daarvoor in juni 1956 was ingevoerd en iedereen van 65 jaar en ouder een inkomen gaf, als men tenminste 50 jaar in het koninkrijk woonachtig was geweest. Tegenwoordig is die leeftijd afhankelijk van de geboortemaand en kan de AOW-gerechtigde leeftijd oplopen tot 67 jaar.
De emancipatie van de vrouw is een lange weg gegaan. In 1870 was Aletta Jacobs de eerste vrouw die als toehoorder aan de HBS mocht leren en een jaar later nog toestemming aan de minister moest vragen om te mogen gaan studeren. Diezelfde minister, Thorbecke, moest ook toestemming geven om de examens af te mogen leggen, waarna zij de eerste vrouwelijke arts in Nederland werd. Mede door de politieke onrust in Europa, met revoluties in Rusland, in 1919 in Duitsland, opstanden in Frankrijk, Polen, Hongarije, werd het algemeen stemrecht, dus ook voor vrouwen, in 1919 ingevoerd. Maar de man bleef de kostwinner. Die besliste over het geld.

Vrouwen die werkten namen, vaak verplicht, ontslag zodra zij trouwden. Een getrouwde vrouw die werkte was blijkbaar arm en dat was eigenlijk een schande. In het huwelijk moest de vrouw aan de man toestemming vragen om grote aankopen te mogen doen. Om bijvoorbeeld een wasmachine te kopen, had zij schriftelijke toestemming nodig. Zij konden ook geen eigen bankrekening openen, omdat zij net als zwakzinnigen en kinderen ‘handelingsonbekwaam’ zijn. Dat veranderde pas in 1956 dankzij een motie van PvdA-lid Corry Tendeloo, die met 46 tegen 44 stemmen wordt aangenomen.
Marga Klompé wordt in Arnhem geboren en gaat scheikunde studeren, daarna natuurkunde, maar een studie medicijnen kan zij niet afmaken omdat de universiteit vanwege de Tweede Wereldoorlog wordt gesloten. In die oorlog verleent ze als lid van het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers medewerking aan de Slag om de Grebbeberg. Later verricht zij onder een schuilnaam koeriersdiensten, onder meer voor de Utrechtse kardinaal de Jong, de man die tegen de Duitsers zei: ‘Als u mijn ring wilt kussen, die ligt op tafel’. Aan het einde van de oorlog zat zij ondergedoken in onder meer Apeldoorn en nade bevrijding was zij als vice-voorzitter van de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers in Arnhem betrokken bij het op gang brengen van het openbare leven.
Even twijfelt zij of ze lid zal worden van de PvdA die net opgericht wordt, maar kiest vanuit haar geloofsbeleving voor de Katholieke Volks Partij, enkele collega’s halen haar over zich kandidaat te stellen voor de 2e Kamer. Ze staat op een onverkiesbare plaats, maar komt in 1948 toch in de Kamer wanneer een andere kandidaat minister wordt. In 1952 is zij al in een aantal kieskringen lijsttrekker, tegenover het KVP-kanon Romme. In 1956 wordt zij dan de eerste vrouwelijke minister, al vond Drees dat een minder goed idee. Zij zorgde ervoor dat de ministers, met Drees als uitzondering, elkaar gingen tutoyeren, maar ook dat Molukkers vanuit hun kampen, soms voormalige concentratiekampen, naar nieuwbouwwijken werden overgeplaatst. Kroon op haar werk was de invoering in 1965 van de Algemene Bijstandswet. In 1967 loodste zij de Omroepwet door de Kamer. Nadat zij in 1971 stopte als minister werd zij benoemd tot het eervolle Minister van Staat. Werd Drees vanwege de AOW ‘Vadertje Drees’ genoemd, mag Marga dankzij haar Bijstandswet zeker ‘Moedertje Klompé’ genoemd worden!


Reacties
Een reactie posten