De lente leek nu toch echt begonnen. Het was droog, de lucht was helderblauw, met hier en daar een wolkje. De zon scheen volop en ondanks dat het nog vroeg in het voorjaar was, was het al behoorlijk warm. Zeker op plaatsen die niet in de wind lagen. Sophie, de 1e huishoudster van mevrouw Belle de Fleurdelis, stond op een trapje te zweten bij het lappen van de ramen aan de binnenkant van de villa van Weleer. Het was niet zo’n goed moment om dit klusje aan te pakken. Niet wetend wat het voor weer zou worden, was zij aan de andere kant van de villa begonnen. Nu had zij daar een beetje spijt van. Ze had het beter andersom kunnen doen, dan had zij nu aangenaam in de schaduw staan lappen.
Anderzijds had zij wel het voordeel dat ze nu precies kon zien of, en zo ja waar, er nog strepen op de ruiten stonden. Die ging zij dan te lijf met spiritus en proppen krantenpapier. Daarbij moest zij wel opletten dat ze daarvoor geen kranten pakte die mevrouw nog niet gelezen had. Meestal liep deze een paar dagen achter met het doorploegen van het dagblad. Dat kwam ofwel omdat de sociale agenda van mevrouw haar te veel bezig hield, ofwel omdat het nieuws haar te zeer bedrukte. Maar dat werd voor mevrouw nooit oud nieuws, er was altijd wel iets dat haar interesseerde. Zelfs al waren het alleen al de overlijdensberichten. Een mevrouw moest nu eenmaal op de hoogte blijven van wie er nog was, of nu niet meer. Dat voorkwam het maken van een figuurlijk dodelijke faux pas in gezelschap.
Sophie slaakte een zucht van verlichting gooide Sophie de spons in de emmer met sop: het klusje zat erop. De ramen glommen weer van genoegen, aan de binnenkant, tenminste. Gelukkig was de buitenkant niet haar pakkie an. Daar kwam één keer in de maand een echte glazenwasser voor. Niet van harte, maar Sophie was net een keer te veel van de ladder gevallen bij het lappen van de ramen op de tweede verdieping. Het was nog steeds een wonder dat zij daar nooit iets bij gebroken had, maar mevrouw wilde het risico niet langer nemen. Sophie werkte al zolang in de villa dat Belle zich niet kon voorstellen dat zij een nieuwe huishoudster moest opleiden tot zij hetzelfde niveau als Sophie had. Bovendien was het personeel tegenwoordig niet zo dociel als vroeger. Zij wilden bijvoorbeeld dagen vrij elke maand, stel je voor!
Sophie leegde haar emmer in het putje achter de keuken en zette hem omgekeerd tegen de keukenmuur. Van het lappen had ze een behoorlijke trek gekregen. Zoals altijd kon zij daarvoor op de Franse chef-kok van mevrouw rekenen. Fluks sneed hij een paar sneden brood af, smeerde er boter op en belegde het met de verse sardinesalade die hij voor de lunch van mevrouw had gemaakt. Dat en een groot glas verse koude melk zorgden ervoor dat zij al snel weer helemaal de oude, gelukkig!
Haal de sardines uit de blikjes en laat even uitlekken. Prak ze in een grote schaal fijn. De olie gebruiken we vandaag niet. Schil de komkommer (of niet, voor wat extra knapperigheid en kleur), snij hem in de lengte doormidden en schraap de zaden er met een lepel uit. Snij dan in plakjes en die in blokjes. Doe ze bij de sardines. Laat de bonen uitlekken, spoel ze af en maak een beetje droog. Droge bonen nemen meer smaak op. Die mogen ook bij de sardines. Kook ondertussen de eieren in kokend water in 8 minuten hard. Laat schrikken, pel ze en snijd in kleine stukjes. Men ze door de bonen, sardines en komkommer. In een schaaltje de yoghurt en mosterd door elkaar met zout en peper naar smaak. Schenk over de salade en meng alles goed door elkaar. Laat alle smaken een tijdje op elkaar intrekken en serveer op plakken geroosterd zuurdesembrood. Eet smakelijk!
Wekelijks deelt Louis de chef kok van Belle de Fleurdelis in de uitzending van ‘Breien met Louis en Sophie’ een spreuk met de kijkers. Deze spreuk is alom bekend. Maar waar komt die uitspraak eigenlijk vandaan? Louis is op onderzoek uit gegaan en is de bibliotheek gaan raadplegen en heeft alle encyclopédies doorgespit; de Grote Larousse, de Winkler Prince, de Encyclopedia Brittanica en zo kwam hij erachter dat er geen eenduidig antwoord op is te geven. In de loop der jaren hebben vele mensen zich afgevraagd wie deze regels heeft gedicht. De meest genoemde namen zijn: Petrus Augustus de Genestet, Jac. Revius, Nicolaas Beets, Guido Gezelle of Christiaan Huygens. De gedachte achter het versje is al vaak verwoord, bijvoorbeeld door Montaigne (1533-1592): “Qui craint de souffrir, il souffre déjà de ce qu’il craint” (‘Wie het lijden vreest, lijdt al door wat hij vreest’). Nico Scheepmaker vond de overeenkomst met een Engels versje van (mogelijk) Thomas Chatterton die leefde van ...


Reacties
Een reactie posten