De jaren 80 van de 18e eeuw waren een roerige tijd voor ons land. De Gouden Eeuw was voorbij en de Republiek der Verenigde Nederlanden had haar machtspositie over de 7 zeeën aan de Engelsen moeten overgeven. Er was onrust en onvrede in de Republiek. Die werd deels gevoed door de Amerikaanse Vrijheidsoorlog, waarin een volk zich van het juk van de Engelse koning ontdeed. In ons land richtte die onvrede zich tegen de stadhouder, Willem V van Oranje. Het eerste teken was een anoniem pamflet, getiteld ‘Aan het volk van Nederland’, dat veel discussie losmaakte. Achteraf bleek het geschreven te zijn door de Overijsselse edelman Joan Derk van de Capellen tot den Pol, die een oproep deed voor de vrijheid van drukpers en daarmee van informatie.
Dat leidde tot een stortvloed van pamfletten, boekjes en brochures, waarna er twee kampen ontstonden: de Orangisten, aanhangers van Willem V, die de status quo wilden behouden, en de Patriotten, mensen die zich burger van het land voelden en daarom ook iets in de melk te brokken wilden hebben. Dat streven wilden zij desnoods met geweld doorvoeren en daarvoor werden er her en der in het land vrijkorpsen opgericht, die zich in uniformen staken, bewapenden en exercities hielden. Voor Willem V reden genoeg om te verhuizen van Den Haag naar Nijmegen. In diverse steden werden met deze korpsen besturen gedwongen patriotten in het bestuur op te nemen, zoals in Utrecht gebeurde, waar in 1786 op deze manier een geheel democratisch gekozen stadsbestuur aan de macht kwam.
Zo werd ook in augustus 1784 de Hertog van Brunswijk ofwel Braunschweig, Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern, ook wel bekend als ‘de Dikke Hertog’ uit zijn militaire en politieke functies gezet vanwege zijn banden met Willem V en connecties met de Oostenrijkse keizer, zijn achterneef Jozef II. Die had nog een appeltje met Nederland te schillen, vanwege de blokkade van de Schelde, die al in de 80-jarige oorlog was ingezet en nooit beëindigd. Daar profiteerde vooral de haven van Amsterdam van. De Zuidelijke Nederlanden, ook wel de Spaanse Nederlanden, wat nu voornamelijk België is, waren Spaans gebleven, to zij na de Spaanse Successieoorlog in 1713 in handen van de Habsburgers kwamen.
Keizer Jozef II stuurde enkele schepen vanuit Antwerpen naar de Schelde. Bij het Fort Lillo lag de Zeeuwse schoener ‘Den Dolphyn’ voor anker die het vuur opende en met één gericht schot werd een kookpot geraakt op een Oostenrijks schip, dat zich daarop direct overgaf. Dat was ook meteen het einde van deze ‘Keteloorlog’. Om elk risico te vermijden werd er door de Republiek met steun van Frankrijk een legertje geformeerd om eventuele volgende aanvallen het hoofd te kunnen bieden. Dat hoefde niet in actie te komen, want door Franse bemiddeling kwam er op 8 november 1785 het Verdrag van Fontainebleau tot stand.
Volgens het verdrag werd er wat gebied tussen de Republiek en het Habsburgse Keizerrijk uitgewisseld en betaalden de Republiek der Verenigde Nederlanden en Frankrijk een gezamenlijke schadevergoeding van 9.500.000 florijnen aan Jozef II. De blokkade van Antwerpen werd jammer genoeg voor Jozef II niet opgeheven. De Dikke Hertog had al in oktober 1784 het land moeten verlaten. Voor Willem V was het slechts uitstel van executie, in 1795 vluchtte hij naar Engeland vanuit Vlissingen, omdat het Patriottenleger, met de Fransen samen oprukten en al snel de Bataafse Republiek stichtten, een eerste Grondwet schreven en een parlement kozen.


Reacties
Een reactie posten