In de glansrijke carrière van profwielrenner Wim van Est was 16 juli 1951 een hoogtepunt. Als eerste Nederlander veroverde hij in de Tour de France de gele leiderstrui. De volgende dag kwam er al een einde aan zijn tour-ambities: bij een afdaling kreeg hij in een bocht een klapband in het voorwiel en stortte vervolgens 70 meter een ravijn in. Als bij een godswonder was hij vrijwel ongedeerd, maar zijn fiets was totaal verwrongen en voor Wim was dit het einde van de Tour de France dat jaar. De val werd legendarisch en heeft in de publieke opinie alle andere overwinningen permanent in de schaduw gezet.
Wim werd als tweede kind geboren in een Brabants boerengezin met uiteindelijk 17 kinderen. Ook zijn broers Piet, Kees, Toon, Leen en Nico werden wielrenners, maar geen met zoveel succes als Wim. Nico, die in het dagelijks leven Klaas werd genoemd, reed bijvoorbeeld in 1954 in de Tour, die dat jaar in Amsterdam startte. Omdat hij in de 10e etappe buiten de tijdslimiet binnenkwam werd hij gediskwalificeerd. In 1954 viel ook hij, in de Ronde van Nederland, over een wildrooster en werd met diepe beenwonden en een hersenschudding afgevoerd. In tegenstelling tot broer Wim liep Nico diverse kwetsuren op in wedstrijden, zoals een sleutelbeenbreuk en een knieblessure. Nico had als bijnaam ‘Brick’ vanwege zijn gelijkenis met wielrenner Briek Schotte oftewel ‘IJzeren Briek’, een Belgische wielrenner en ploegleider. Nico, ofwel Klaas, reed net als Wim voor de Locomotief-Vredestein/Mars-ploeg.
Wims bijnamen waren onder meer "De Locomotief", "IJzeren Willem", "de Knoest" en "de Beul van het Heike". Hij begon pas laat met fietsen, op 23-jarige leeftijd in 1946. Tijdens de oorlog had hij zich onledig gehouden met het smokkelen van boter en tabak, waarvoor hij ook zes maanden in de gevangenis had gezeten. Als koerier die moest zien wie er bij de grens wachtliep, maakte hij al diepe indruk, omdat zijn kompanen niet geloofden dat hij in zo’n korte tijd al teruggefietst kon zijn. Zelfs fietsend over rulle zandpaden maakte hij al recordtijden. Na enkele jaren als amateur te hebben gereden werd hij profrenner en werd in 1949 Nederlands kampioen achtervolging, een baanwedstrijd. Het jaar erop won hij de eendaagse wedstrijd Bordeaux-Parijs van 550 kilometer. Dat wist hij in 1952 en 1961 te herhalen.
Nu was profrijden in de jaren 50 geen vetpot. Het was zelfs zo dat renners in Frankrijk voor een Franse ploeg konden rijden, in België voor een Belgische en in Nederland voor een Nederlandse ploeg. In zijn topjaren verdiende Wim jaarlijks f 2500,-, waar een timmerman f 25,- in de week verdiende. Om een fatsoenlijk loon bij elkaar te schrapen waren startgelden en het prijzengeld onontbeerlijk. De Tour de France van 1953 was dan bijzonder profijtelijk, omdat de ploeg 5 etappes won en het Algemeen ploegenklassent. Dat leverde in drie weken tijd voor Wim f 7000,- op, waar meteen een huis van werd gekocht.
Om voldoende te kunnen verdienen reden renners altijd en overal, op de weg en op de baan, bijna 12 maanden per jaar. Dat leverde Wim geregeld een valpartij op, waarbij bijvoorbeeld een wond aan zijn arm vanuit de volgauto dichtgenaaid werd. Er werd gereden met een gebroken sleutelbeen of pols, want er was een contract… De val van Wim van Est werd ook legendarisch door de reclame van sponsor horlogefabrikant Pontiac, die de leus ‘Ik viel 70 meter diep, mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep’ bedacht. Die wollen gele trui, waar hij in viel, is nog steeds in het bezit van kleinzoon William van Beer. Op YouTube is veel materiaal te vinden, waaronder het filmpje waarin hij aan een ketting van fietsbinnenbanden naar boven werd getrokken, dat in 1992 opdook. De fiets is in het Nijmeegse Velorama te zien.
Wekelijks deelt Louis de chef kok van Belle de Fleurdelis in de uitzending van ‘Breien met Louis en Sophie’ een spreuk met de kijkers. Deze spreuk is alom bekend. Maar waar komt die uitspraak eigenlijk vandaan? Louis is op onderzoek uit gegaan en is de bibliotheek gaan raadplegen en heeft alle encyclopédies doorgespit; de Grote Larousse, de Winkler Prince, de Encyclopedia Brittanica en zo kwam hij erachter dat er geen eenduidig antwoord op is te geven. In de loop der jaren hebben vele mensen zich afgevraagd wie deze regels heeft gedicht. De meest genoemde namen zijn: Petrus Augustus de Genestet, Jac. Revius, Nicolaas Beets, Guido Gezelle of Christiaan Huygens. De gedachte achter het versje is al vaak verwoord, bijvoorbeeld door Montaigne (1533-1592): “Qui craint de souffrir, il souffre déjà de ce qu’il craint” (‘Wie het lijden vreest, lijdt al door wat hij vreest’). Nico Scheepmaker vond de overeenkomst met een Engels versje van (mogelijk) Thomas Chatterton die leefde van ...


Reacties
Een reactie posten