Doorgaan naar hoofdcontent

17 FEBRUARI 1952 EERSTE NEDERLANDSE OLYMPISCHE SCHAATSMEDAILLE



Dat Nederland een schaatsland pur sang is, staat buiten kijf. Er wordt al eeuwen geschaatst, zodra de winter het toelaat. Heel vroeger bond men dierenbotten onder de schoenen, zogenaamde ‘glissen’, vastgemaakt met pezen en duwde zich voort met prikstokken. Afzetten op de zijkant was onmogelijk door de vorm van de botten. Die bevatten relatief veel vet, zodat zij niet aan het ijs bleven kleven. Er zijn beschrijvingen van wedstrijden op 5 of 8 kilometer overgeleverd uit 1555. Glissen werden tot het begin van de 19e eeuw gebruikt, door wie zich geen schaatsen konden veroorloven, of door kinderen, om hen aan het ijs te laten wennen.

De eerste legendarische Nederlandse schaatser was natuurlijk Jaap Eden. Op 16-jarige leeftijd won hij zijn eerste wedstrijd, 160 meter op de korte baan. In 1893, 1895 en 1896 werd hij wereldkampioen allround in respectievelijk Amsterdam, Hamar en Sint Petersburg. In 1894 haalde hij twee wereldrecords, op de vijf kilometer, dat zeventien jaar bleef staan. Ook de tien kilometer haalde hij, maar verpulverde dit het jaar erop van 19.12,4 naar 17.56,0. Niet voor niets zijn er een schaatsbaan en het beeldje dat de sportman, sportvrouw, sportploeg en paralympische sporter van het jaar krijgen naar hem vernoemd.

Toch duurde het tot 1952 om de eerste Olympische schaatsmedaille door een Nederlander binnen te laten halen. De allereerste Olympische Winterspelen werden in 1924 in Frankrijk georganiseerd, al deed ons land daar niet aan mee. In 1928, 1936 en 1948 deed Nederland wel mee, maar haalde geen medailles. Pas in 1952 werd in Oslo een Nederlander medaillewinnaar: Kees Broekman uit De Lier in het Westland. In 1948 won hij bij het WK Allround de vijf en tien kilometer, maar haalde in de Winterspelen geen medaille. In 1952 brak hij ook Olympisch door, door op dezelfde afstanden zilver te winnen, achter de destijds oppermachtige Noor Hjalmar Andersen.

Zijn grootste succes zou Broekman het jaar erop halen door in Hamar de eerste Nederlandse Europees kampioen te worden. Landgenoot Wim van der Voort werd daarbij tweede. Prestaties die in hun vaderland nauwelijks aandacht kregen, omdat zij samenvielen met de Watersnoodramp en men daardoor wel iets anders aan het hoofd had. In zijn lange carrière reed hij diverse wereldrecords, waarna hij overstapte op coachen. Zo begeleidde hij als coach van de vrouwenploeg Atje Keulen-Deelstra naar de wereldtitel, wat hij later als coach van Zweden herhaalde met Göran Claeson. 

Een andere schaatser die vermeldenswaard is, is de uit Breukelen afkomstige Henk van der Grift. Het begin van zijn wedstrijdcarrière was niet erg veelbelovend. Op het NK van 1956 eindigde hij in de achterhoede. Pas in 1960 reed hij weer wedstrijden en deed mee aan de Olympische Winterspelen, waar hij 10e op de 500 meter werd en op de 1500 meter ten val kwam. Hij was ontevreden over de trainingsfaciliteiten in Nederland, er kon alleen geschaatst worden op natuurijs, bij gebrek aan een kunstijsbaan. Daarom vertrok hij naar Noorwegen. Dat wierp zijn vruchten af toen hij in 1961 in Göteborg wereldkampioen werd. Hiermee werd hij de eerste Nederlandse wereldkampioen sinds Coen de Koning in 1905. De ontvangst in Breukelen was ongekend, met een rondrit in een open koets. Zijn succes leidde tot een versnelde aanleg van de Jaap Edenbaan, de eerste kunstijsbaan van ons land. Het aantal successen van Nederlandse schaatsers kreeg daarmee een enorme steun in de rug. Ons land was klaar voor het ‘Ard en Keessie-tijdperk’!
 








Reacties

Populaire posts van deze blog

Oud en Wijs “DE MENS LIJDT HET MEEST, DOOR HET LIJDEN DAT HIJ VREEST.”

    Wekelijks deelt Louis de chef kok van Belle de Fleurdelis in de uitzending van ‘Breien met Louis en Sophie’ een spreuk met de kijkers. Deze spreuk is alom bekend. Maar waar komt die uitspraak eigenlijk vandaan? Louis is op onderzoek uit gegaan en is de bibliotheek gaan raadplegen en heeft alle encyclopédies doorgespit; de Grote Larousse, de Winkler Prince, de Encyclopedia Brittanica en zo kwam hij erachter dat er geen eenduidig antwoord op is te geven. In de loop der jaren hebben vele mensen zich afgevraagd wie deze regels heeft gedicht. De meest genoemde namen zijn: Petrus Augustus de Genestet, Jac. Revius, Nicolaas Beets, Guido Gezelle of Christiaan Huygens. De gedachte achter het versje is al vaak verwoord, bijvoorbeeld door Montaigne (1533-1592): “Qui craint de souffrir, il souffre déjà de ce qu’il craint” (‘Wie het lijden vreest, lijdt al door wat hij vreest’). Nico Scheepmaker vond de overeenkomst met een Engels versje van (mogelijk) Thomas Chatterton die leefde van ...

DE PAUS IN UTRECHT!

DE PAUS IN UTRECHT!   Oh, wat een dag was dat, toen de paus naar Utrecht kwam! Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Nee Louis, niet paus Adrianus VI, zo oud ben ik nu.... Terug naar mijn verhaal. De Salon van Weleer was in rep en roer, want zo'n bezoek maak je niet vaak mee. Paus Johannes Paulus II, zou op 12 mei 1985 ons stadje, Utrecht bezoeken. Ja ja Louis, die van dat liedje Popie Jopie. Mevrouw Belle de Fleurdelis was druk bezig met de voorbereidingen en ik hielp natuurlijk waar ik kon. Nee ja Louis, de paus is inderdaad niet in de Salon geweest... dat zeg ik toch ook niet. In ieder geval terug naar het verhaal. De verwachting was dat de straten vol zouden staan met mensen, maar het tegendeel bleek waar. Het was echt een bizarre aanblik, die lege straten. In Den Bosch was het al rustig, maar Utrecht spande de kroon met de protesten. Mensen hingen aan lantaarnpalen en riepen "Pope go home!". Het was een chaos zoals ik die nog nooit had gezien. De beelden va...

OUD EN WIJS: In Nederland komt er nooit revolutie, want hier mag je niet op het gras lopen. Karl Marx (1818 – 1883)

Iedere week bespraken Louis en Sophie in hun uitzendingen in 2021 op vrijdagavond in de rubriek ‘Oud en Wijs’ een bijzondere spreuk of citaat. Je kunt ze hier teruglezen. Vandaag een bijzonder citaat over de Nederlandse politiek van Karl Marx.   In zijn tijd werd Karl Marx omarmd maar ook gezien als die man met die opruiende ideeën.  In die tijd werden fabrieksarbeiders in de fabriek bezocht door een mannen die kwamen  vertellen over Marx en dat ze lid moesten worden van de bond, en vaak werden zij er ook weer uitgebonjourd. Wat zou zo’n man als Marx nu eigenlijk weten over Nederland?  Maar misschien zal je dat toch verbazen! Zijn moeder was Nederlands en zijn vader had een Amsterdamse rabbijn als stiefvader. Zijn oom Martin was fabrikant van tabaksdozen in Nijmegen, zijn oom David advocaat in Amsterdam en Paramaribo en zijn tante Sophie trouwde een tabakshandelaar in Zaltbommel. Zij gaven Marx een tijdlang onderdak toen hij zonder geld zat en Das Kapital aan het sch...